top of page

Zeg maar dag tegen de cheeta

Cheeta’s zijn de Porsches van de savanne. Binnen drie seconden kunnen deze fenomenale roofdieren een snelheid bereiken van ruim 100 kilometer per uur. Maar dat is niet snel genoeg om de kogel van een boer of een trofee jager te ontlopen.


Tekst & fotografie: Jochem Wijnands


Het is een realiteit die gekmakend is. De cheeta is een zwaar bedreigde diersoort maar in Namibië, het land waar het laatste restje cheeta's leeft, mogen boeren en jagers deze dieren gewoon doodschieten. Volkomen legaal. Een paar hardwerkende mensen en organisaties probeert het tij te keren door een gezonde reserve populatie te fokken, maar ook zij worden tegengewerkt.

Al ruim een uur vlieg ik met een piloot van het Cheetah Conservation Fund hoog boven de uitgestrekte savanne van Namibië. Ik geniet van het spectaculaire uitzicht op het Waterberg Plateau en de daar grazende kudde hartebeesten, maar van de dieren waarnaar ik op zoek ben nog geen spoor. Tot er uit de cockpit klinkt: “Daar!” en het kleine vliegtuigje een scherpe duik naar beneden maakt. Achter een hoog hek, dat over een lengte van kilometers het land doorkruist, loopt een tweetal cheeta’s. In een oogopslag is duidelijk dat ze naar de andere kant willen, maar niet weten hoe. De solide omheining is een niet te nemen obstakel. Voor de cheeta, die een enorme actieradius heeft, zijn hekken een ernstig probleem. Maar helaas, slechts één van de vele.



De cheeta (ancinonyx jubatus) is een met uitsterven bedreigde diersoort: er leven er naar schatting nog maar 7.000 in het wild. In Azië is het al een halve eeuw uitgestorven, op een kleine populatie in Iran na, en voor Noord-Afrika geldt helaas hetzelfde. Beneden de Sahara, in landen als Kenia, Tanzania en Zimbabwe, zijn cheeta’s teruggedrongen tot de wildparken waar ze zich door hevige concurrentie met andere roofdieren nauwelijks staande kunnen houden. Leeuwen en hyena´s stelen hun prooi en doden 95 procent van alle welpjes. Het is dus niet verwonderlijk dat hun aantallen al decennia lang gestaag teruglopen. De hoop is nu gevestigd op Namibië, waar de grootste en voor het voortbestaan van de soort verreweg belangrijkste populatie van rond de 2500 cheeta’s leeft. De Namibische savanne is ideaal terrein dat bestaat uit open vlaktes waar veel wild graast, en lage struiken van waarachter de cheeta zijn prooi kan besluipen en na een korte felle sprint kan doden. En rustig kan opeten, want, o ironie, de veeboeren hebben de cheeta onbedoeld een handje geholpen door alle leeuwen en hyena’s uit te roeien.



“Dezelfde boeren vormen nu tevens de grootste bedreiging. Ze houden steeds meer vee, gebruiken meer land, bouwen meer en hogere hekken. Het conflict tussen cheeta en boer neemt toe. Een populatie van 2500 dieren lijkt veel, maar niet als je weet dat het er twintig jaar geleden nog ruim 6000 waren,” Aldus Laurie Marker, die 1990 in Namibië het Cheetah Conservation Fund (CCF) oprichtte - met als doel de cheeta in zijn natuurlijke omgeving te behouden. Door haar koppige volharding en enorme bevlogenheid is deze vrouw bijna in haar eentje verantwoordelijk voor de aandacht die er in Namibië en daarbuiten is voor het lot van de cheeta. “Als een boer een cheeta aantreft op zijn terrein, is het dier volgens de Namibische wet zijn eigendom en mag hij ermee doen wat hij wil, het maakt niet uit dat het hier een bedreigde diersoort betreft. In de praktijk betekent dat vaak: doden. Op die manier worden jaarlijks ongeveer 600 dieren afgeschoten, volkomen legaal. De toekomst van de Namibische cheeta hangt dus af van de welwillendheid van de veeboeren, die er juist belang bij lijken te hebben om het dier uit te roeien. Ons werk is heel moeilijk, maar door voorlichting te geven en te helpen om vee tegen cheeta’s te beschermen, hebben we bemoedigende resultaten geboekt. Veel boeren bellen ons nu als ze last hebben van een cheeta, in plaats van het dood te schieten. We vangen het dan en zetten het elders weer uit, bijvoorbeeld bij door ons getrainde boeren.” Voor haar verdiensten werd Laurie door het toonaangevende blad Time verkozen tot `Heroe of the Planet´



Hanneke Louwman van het Wassenaar Wildlife Breeding Centre trekt haar kaplaarzen en regenjas aan en gaat naar buiten, waar het sneeuwt. Uit de schuur pakt ze de kruiwagen en uit de ijskast grote brokken vlees. Voedertijd. Achter de hekken van hun verblijven loopt een negental jachtluipaarden zenuwachtig op en neer. “Geduld jongens, geduld”, roept Hanneke de dieren toe, en tegen mij: “Eerst de baby’s verzorgen.” De baby’s, dat zijn Uran en Uria, twee pluizige welpjes die hier vier weken geleden geboren zijn.

Jan en Hanneke Louwman, voormalig eigenaars van het Dierenpark Wassenaar, hebben in twintig jaar al meer dan 200 cheeta’s op de wereld gezet. Jan: “Daarmee behoren we tot de top drie van alle fokcentra ter wereld.” Cheeta’s planten zich heel moeilijk voort in gevangenschap - slechts een op de tien dieren is succesvol - maar de Louwmannen lijken het geheim te kennen. Jan: “Timing is belangrijk. Pas als het vrouwtje ovuleert, iets dat we uit haar gedrag kunnen afleiden, moet je het mannetje erbij zetten. Doe je het eerder, dan gebeurt er niets. Dan raken ze aan elkaar gewend en gedragen zich als broer en zus. Dit is een soort inteeltbeveiliging die cheeta´s hebben.” De dieren die Wassenaar verlaten vinden hun weg naar dierentuinen en safariparken in de Verenigde Staten en Europa, waar ze vaak weer deelnemen aan andere fokprogramma´s. Jan: “Bijvoorbeeld de Beekse Bergen, die we twee cheeta’s hebben geleverd en hebben begeleid bij het fokken. Dat heeft al tot twaalf welpjes geleid.”



Een gezonde cheeta met papieren kost tussen de 6000 en 12000 dollar. Grote bedragen, maar Jan en Hanneke moeten er, volgens eigen zeggen, nog geld op toeleggen. Hanneke: “Het is een bevlogenheid. De cheeta wordt met uitsterven bedreigd, dat moeten we voorkomen.” Jan vult aan: “Wat wij willen is een reserve populatie creëren, die zichzelf kan bedruipen. Dat zou wel eens de redding van de soort kunnen zijn.” Fokken in gevangenschap is echter moeilijk gebleken en tot op de dag van vandaag blijft de inbreng van wilde cheeta’s onmisbaar. Bijkomend probleem is dat alle cheeta’s genetisch zeer sterk aan elkaar verwant zijn, wat de soort bijzonder kwetsbaar maakt; het risico dat de hele populatie door een ziekte wordt getroffen is groot. Dit heeft het CCF in Namibië ertoe bewogen een stamboek te beheren waarin de genetische informatie van alle in gevangenschap levende cheeta’s wordt bijgehouden. Dat zijn er bijna 1400. Laurie Marker: “Door gericht te fokken, zoals in Wassenaar gebeurt, kunnen we de genetische variatie vergroten.” En daarmee de overlevingskansen van de cheeta.



AfriCat is, na het CCF, de belangrijkste organisatie in Namibië die zich inzet voor het behoud van cheeta’s in het wild. AfriCat oprichtster Lise Hanssen: “We redden cheeta´s uit vallen of kopen ze van boeren, om ze ergens anders weer vrij te laten. Sommige dieren kunnen we echter onmogelijk terugzetten in de natuur, bijvoorbeeld omdat ze te veel aan mensen gewend zijn geraakt. Die noemen we daarom ‘non-releasables’. We houden ze in grote rennen van enkele hectares.”

Mijn bezoek aan AfriCat valt samen met de jaarlijkse medische controle van de ‘non-releasables’, 70 in totaal. Een team artsen en verzorgers staat klaar in een veldhospital om de dieren te onderzoeken en verzorgen. Een dierenarts merkt op: “Ze krijgen een betere medische behandeling dan de meeste ménsen in dit land. Maar goed, de mens wordt ook niet met uitsterven bedreigd.”

Toch roept deze toewijding een aantal kritische vragen op. De cheeta’s worden namelijk niet gebruikt om te fokken en mogen óók niet naar fokcentra in het buitenland worden geëxporteerd: daar heeft de Namibische regering een stokje voor gestoken. Het gevolg is dat de non-releasables zich niet meer kunnen voortplanten en dus voor de soort verloren gaan. Een verkwisting die de met uitsterven bedreigde cheeta zich niet lijkt te kunnen veroorloven. Veel betrokkenen zoals het CCF en het Wassenaar Wildlife Breeding Centre vinden dan ook dat cheeta’s die niet meer kunnen worden teruggezet beschikbaar moeten komen voor fokprogramma’s.



Alle ogen zijn nu gericht op Flip Stander, leider van het Predator Research Program van de Namibische regering. Zijn mening is al jaren doorslaggevend voor het binnenlandse cheeta-beleid. Stander: “Ons primaire doel is natuurlijk om de cheeta in het wild te behouden. Een reserve populatie cheeta’s in gevangenschap achten wij van secundair belang. Vandaar dat we de export van levende cheeta’s hebben verboden. We hadden er te weinig controle over en waren bang dat er dieren rechtstreeks uit de natuur werden onttrokken." Of dit laatste het exportverbod rechtvaardigt wordt alom betwijfeld, mede omdat de Namibische regering wél jaarlijks honderd vergunningen verleent aan plezierjagers om wilde cheeta’s te schieten en als jachttrofee uit te voeren.












Comments


bottom of page